Naar het lyceum in Batavia
Na een kort verblijf in Buitenzorg verhuist het gezin Haasse naar Batavia, waar Hella naar het lyceum gaat. Ze is een actief lid van de literaire club Elcee, zoals later ook Aya Zikken en Margaretha Ferguson.
'Ik vermoed dat mijn vaders overplaatsing naar Batavia, na een zo kort verblijf in Buitenzorg, te maken had met het feit dat ik naar de middelbare school moest.'
Uit: Zelfportret als legkaart
Bataviaas Lyceum
‘Wij gingen school op de Carpentier Alting Stichting, kortweg CAS genoemd, eigenlijk een complex van scholen, in de loop van dertig of veertig jaar gegroeid rondom het oorspronkelijke gebouw, een groot oud-Indisch woonhuis, waar in de tijd die ik mij herinneren kan, een internaat voor meisjes gevestigd was.’
Uit: Zelfportret als legkaart
‘Wij gingen school op de Carpentier Alting Stichting, kortweg CAS genoemd, eigenlijk een complex van scholen, in de loop van dertig of veertig jaar gegroeid rondom het oorspronkelijke gebouw, een groot oud-Indisch woonhuis, waar in de tijd die ik mij herinneren kan, een internaat voor meisjes gevestigd was.’
Uit: Zelfportret als legkaart
In het oerwoud
‘De heldere lucht, de koelte van Tjitjalengka, Pengalengan, Sindanglaja. Het meer van Lèlès, en dat verscholen tussen de bergkegels op de Poentjak-pas, het bospark van Tjibodas, de dichte wouden op de hellingen van de Gedeh-Panggrango, de Salak, de Goentoer, de Malabar. Die namen roepen de herinnering op aan een beleven van de natuur, vol genot en kwelling tegelijkertijd, omdat ik het niet begreep, alleen onbewust onderging. De overdaad van groen, de verstrengeling, overwoekering, triomf en breidelloze expansie van het meest vitale: de openbaring van een groeikracht die ook in míj was. Soms, alleen tussen bomen en planten, alleen met het ritselende ruisende onzichtbare leven tussen het loof en het gras en onder de stenen, rook ik aan de bast, nam de dikke zwarte aarde in de hand, kauwde ik verschillende soorten van bladeren, zat ik lang stil op een steen, in vruchteloze pogingen mij zelf één te voelen met een vorm van bestaan waarin de onrust, de spanning, de drang om uit te barsten niet geordend of ingetoomd hoefde te worden.’
Uit: Zelfportret als legkaart
‘De heldere lucht, de koelte van Tjitjalengka, Pengalengan, Sindanglaja. Het meer van Lèlès, en dat verscholen tussen de bergkegels op de Poentjak-pas, het bospark van Tjibodas, de dichte wouden op de hellingen van de Gedeh-Panggrango, de Salak, de Goentoer, de Malabar. Die namen roepen de herinnering op aan een beleven van de natuur, vol genot en kwelling tegelijkertijd, omdat ik het niet begreep, alleen onbewust onderging. De overdaad van groen, de verstrengeling, overwoekering, triomf en breidelloze expansie van het meest vitale: de openbaring van een groeikracht die ook in míj was. Soms, alleen tussen bomen en planten, alleen met het ritselende ruisende onzichtbare leven tussen het loof en het gras en onder de stenen, rook ik aan de bast, nam de dikke zwarte aarde in de hand, kauwde ik verschillende soorten van bladeren, zat ik lang stil op een steen, in vruchteloze pogingen mij zelf één te voelen met een vorm van bestaan waarin de onrust, de spanning, de drang om uit te barsten niet geordend of ingetoomd hoefde te worden.’
Uit: Zelfportret als legkaart
Chronologisch overzicht sluiten
Recent bekeken sluiten
1931

