Overtocht naar Nederland
In de zomer van 1938 vertrekt Hella in haar eentje naar Nederland om te studeren. Zij heeft zich opgegeven voor de studie Nederlands aan de Universiteit van Utrecht, maar besluit zich in te schrijven voor Scandinavische Talen en Letteren aan de Gemeentelijke Universiteit in Amsterdam. Bij de familie Hora Adema gaat ze op kamers.
‘Na mijn eindexamen stuurden mijn ouders mij alleen naar Holland terug om daar te gaan studeren. Als de dag van gisteren herinner ik mij het ogenblik van vertrek; de scheepsfluit loeide zoals ik dat zo dikwijls al had gehoord op een dergelijk moment, de strook water tussen het schip en de wal werd breder, de serpentines braken. Op de kade, tussen de andere wegbrengers, stonden mijn ouders. Ik zag hun wuivende gestalten kleiner en kleiner worden, en met hen de loodsen van Priok, de huizen op de achtergrond, en verder weg langs de kust de rijen palmen in een waas van middaghitte. [...] Ik huilde niet omdat ik mijn ouders en het land van mijn jeugd moest achterlaten, maar om de overrompelende zekerheid, waar ik niet over spreken kon, dat dit alles voorbij was, voorgoed. Java verdween achter de horizon, een donkere golvende lijn. Het zou acht jaar duren voor ik mijn ouders terugzag.’
Uit: Zelfportret als legkaart
‘Ik kon alle maîtresses van Louis XV, alle opera’s van Wagner, alle tragedies en blijspelen van Shakespeare in chronologische volgorde opnoemen, desgewenst de inhoud van het Ramayana, de Cuchulain-cyclus, of de Volsunga-saga vertellen [...] maar ik wist geen enkele naam van een minister of van een Amsterdams gemeenteraadslid te noemen.’
Uit: Zelfportret als legkaart
